Proloog

Vrijdag 6 april 2001. Op de één na laatste dag van mijn verblijf in Zuid-Afrika vertrek ik voor een laatste fietstraining van een uurtje of twee. Ik heb zin om weer naar Nederland te gaan, een maandje rust te nemen om uit te rusten van de Ironman een week geleden en dan het voorseizoen in Nederland gebruiken om weer in vorm te komen voor Almere.

Na 30 kilometer fietsen slaat een auto plotseling af. Ik zie ‘m pas op het laatste moment, rijd vol tegen de motorkap aan en vlieg over de auto. Gelukkig kom ik niet op m’n hoofd terecht, want ik draag geen helm. Wanneer ik op wil staan blijk ik niet te kunnen lopen en m’n benen voelen heel raar, een soort van verlamd. Een half uurtje later word ik met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Uit de röntgenfoto’s blijk ik gelukkig niets gebroken te hebben. Dat is het goede nieuws. Minder is dat beide onderbenen zwaar gekneusd zijn, de linkerknieband opgerekt en beide knieën vol vocht te zitten. ’s Avonds word ik uit het hospitaal ontslagen en mag de volgende drie dagen doorbrengen in een hotel omdat ik nog niet vervoerd mag worden. Maandag vlieg ik met Cynthia, m’n fysio, die gelukkig nog net niet vertrokken was toen het ongeluk gebeurde, terug naar huis. Ik moet onderweg met een rolstoel worden vervoerd en kan voorlopig door alle plannen een grote streep zetten. Almere is gelukkig nog 21 weken weg, dus daar hoef ik me nog geen zorgen over te maken.

In Nederland begin ik direct met revalideren. Ik heb het grote geluk dat ik dat met Cynthia kan doen, die doordat ze er in Zuid-Afrika bij was precies weet hoe ik ervoor sta en wat ik wel en niet kan. In periodes van optimisme schat ik in met een weekje of zes, maximaal acht, toch wel weer wedstrijdfit te zijn. De praktijk blijkt echter anders. Drie weken na het ongeluk mag ik, na twee weken tien tot twintig minuutjes per dag fietsen op de rollenbank, voor het eerst buiten fietsen en begin ik heel voorzichtig met wat aquajoggen in het zwembad. Nog eens twee weken later kan ik een zwemtraining van een krap uurtje aan. Op zich allemaal hartstikke leuk, maar aan lopen hoef ik voorlopig nog niet te denken. Zes weken na het gebeurde mag ik voor het eerst op de loopband. Klinkt goed, maar valt tegen als je weet dat dat twee keer 5 minuten wandelen op 4,8 en 5,2 km/u betekent en ik na afloop bijna door de linkerknie heenzak. Almere is nog steeds 15 weken weg, maar komt wel steeds sneller dichterbij. Eén ding is me inmiddels wel duidelijk: wil ik het kunnen halen, dan dien ik eerst voor 100% fit te zijn voordat ik weer ga beginnen. Ik kan me niet permitteren één of twee weken te vroeg te starten om daarna te merken dat de linkerknie (die instabiel is en waar behoorlijk wat vocht in zit) de belasting niet blijkt aan te kunnen om vervolgens weer helemaal opnieuw te kunnen beginnen.

Nog eens twee weken later (we zitten nu in week 22) loop ik voor het eerst zeven kilometertjes buiten, op de trimbaan. Wat kan lopen dan lekker zijn. Een week later ben ik weer helemaal in m’n looppatroon en kan ik het regime van twee keer per dag revalidatieoefeningen doen vaarwel zeggen. Bovendien kan ik met fietsen en zwemmen alles doen wat ik wil. Daarom ook start ik een week later in een koersje in de Hoeksche Waard. Na 85 kilometer word ik op een recht stuk ingehaald door een mongoloïde medecoureur op een stuk waar je eigenlijk helemaal niet ingehaald kan worden. Ik word gehaakt en val half op het asfalt, half in de berm en zit weer flink in elkaar. De trainingsfiets is ook geen 100% meer, maar erger is dat ik ook op beide knieën terecht ben gekomen. Op dat moment ben ik deels berustend, deels woest op al die ellende. Dit betekent sowieso een week vertraging en, als het even tegenzit, een knie die alsnog naar de gloria is, en dus Almere.

Na dat weekje rust blijkt de rechterknie OK en het vocht in de linkerknie, wat voor het ongeval rechtsonder zat, op miraculeuze wijze verplaatst te zijn naar linksboven. Een eerste loopje pakt goed uit en in week 26 doe ik een eerste baantraining. Alhoewel alles een beetje onwennig en instabiel aanvoelt houdt de knie het. De ultieme test komt zaterdag 30 juni, wanneer ik in de kwarttriathlon van Oud Gastel start met als bedoeling te kijken of die knie een tien kilometer op wedstrijdtempo aankan. Ik loop uiteindelijk een 37-er, vier minuten langzamer dan normaal en ben aan de streep zeven minuten langzamer dan vorig jaar. Het belangrijkst is echter dat de knie het gehouden heeft en ik kan gaan beginnen met de Almere-voorbereiding. Daar heb ik nog precies negen weken voor.

Na overleg met Herman stellen we een no-nonsense programma op. Dat betekent dat elke training raak moet zijn, veel blokken op Almere-intensiteit, praktisch geen anaeroob werk, maar wel veel aandacht voor krachttraining en souplessewerk met zwemmen en fietsen. Zwemmen en fietsen moet straks geen probleem zijn, maar het lopen heeft een forse achterstand opgelopen. Maximaal haalbaar in de planning is drie lange duurlopen van boven de twee uur. Als vormtests plannen we nog twee kwartjes.

Twee weken later loop ik voor het eerst meer dan 50 km in een trainingsweek. De loopconditie gaat met sprongen vooruit en dat geeft vertrouwen. Zaterdag 14 juli nodig ik Cynthia uit voor een etentje in de stad om haar te bedanken en om de revalidatieperiode en af te sluiten. Ik ben die dag wezen fietsen op de Veluwe en heb m’n trainingsfiets achter in de auto gelegd. Bij terugkomst is de achterruit ingeslagen en is alles wat achterin lag gestolen: een tas met fiets- en trainingsspullen, een rugzak met zwemspullen en natuurlijk m’n fiets. De tassen met trainingsspullen vinden we even later terug in een woonwijk, maar die fiets ben ik gewoon kwijt. Kon er nog wel bij. Ik heb inmiddels wat ervaring in het omgaan met dit soort dingen, dus ik maak direct hierna een andere fiets die ik eigenlijk aan een broer verkocht had in orde om de fietstrainingen te kunnen doen. Ik neem me één ding voor: nobody f**ks with me anymore voor de rest van dit seizoen. M’n focus op Almere is nu heel scherp en ik gebruik de trainingen om alles af te reageren. Aan motivatie geen gebrek.

Nog eens twee weken later, we hebben nu nog vijf weken te gaan voor Almere, loop ik voor het eerst een duurloop van meer dan 30 km. Het gevoel, hartfrequenties en snelheden zijn onverwacht goed; het is nu vooral zaak alles in het hoofd goed te krijgen om straks zonder terughoudendheid in Almere te kunnen starten. Ik wil niet starten om te finishen, maar terugkomen op ten minste hetzelfde niveau als vorig jaar. Nu het fysiek allemaal loopt, ga ik ook werken aan de mentale voorbereiding, die erop gericht is zonder enig voorbehoud de wedstrijd in te kunnen gaan.

Drie weken voor Almere doe ik een vormtest in de kwarttriathlon van Veenendaal. Doelstelling is in de buurt van de tijd van vorig jaar te komen, toen ik deze wedstrijd won in 1:55’. Dit jaar win ik niet, maar ben wel één minuut sneller dan vorig jaar en weet drie korte-afstandsselectieleden voor me; geen schande. In de zes weken tussen Oud Gastel en Veenendaal ben ik dus weer terug op niveau gekomen. Alleen het lopen is nog een minuutje minder dan vorig jaar, maar dat is vooral te wijten aan gebrek aan snelheidstrainingen. Conditioneel zit alles goed.

In de éénnalaatste week in de voorbereiding loop ik over het randje van de belastbaarheid. ’s Maandags raak ik al uit balans na een lange, intensieve trainingsdag met drie sessies, waaronder een krachttraining van ruim twee uur. Voor de baantraining van dinsdag ben ik al uitgewoond voor ik start, niet prettig als je nog 23 km waarvan 16 km baan op het programma hebt staan. Dit was één van de zwaarste trainingen, waarvan ik niet zozeer fysiek als wel mentaal van heb geleerd. In het dagboek staat running on empty, een ervaring die ik later in Almere heel goed blijk te kunnen gebruiken. De volgende dag staat een duurrit van vijf uur op het programma. Na vier uur ben ik blij zonder van de fiets gevallen te zijn weer thuis te zijn, zo moe ben ik. Om niet helemaal over de kop te gaan neem ik de volgende vierentwintig uur heel veel rust om weer in balans te komen en dat pakt goed uit: de krachttraining die maandag zo moeilijk ging, gaat op de donderdagavond volgens het boekje. Het herstel gaat dus snel; een goed teken.

Eén week voor Almere doe ik een laatste vormtest in Alphen aan de Rijn. Ik test een nieuw wetsuit uit, dat voor mij niet geschikt blijkt. Op tweeënhalve minuut van de kopgroep kom ik uit het water en fiets me tevergeefs het lebbertje in de bloedhitte om enigszins terug in de wedstrijd te komen. Met het lopen krijg ik na een paar kilometers een bloedneus, waarschijnlijk door de hitte, en besluit de wedstrijd verder op Almere-intensiteit te doen. Uiteindelijk kom ik als tiende op acht minuten van de winnaar over de streep. Op dat moment voel ik me, ondanks het onverwacht slechte resultaat, zekerder dan ooit dat alles goed zit. Die stemming zou een etmaal later echter omslaan waardoor ik alsnog aan het twijfelen ga. De dinsdag voor de wedstrijd doe ik de laatste intensieve training; in totaal 95 km fietsen met een uur op Almere-tempo en 17 km lopen op 3.50/km. Die trainingen gaan erg makkelijk, maar ik voel wel een verkoudheid opkomen. Met een megadosis van 5 gram vitamine C ’s ochtends en nog eens drie gram ’s avonds komt de ontsteking op donderdag los en weet ik dat ik er alles aan gedaan heb om zo goed voorbereid als mogelijk aan de start te staan. Alles zit goed; fysiek zit ik tegen het niveau van vorig jaar, ik ben uitgerust en mentaal ben ik super. Ik kan alleen heel moeilijk inschatten voor welke positie ik in aanmerking zou komen. Kan ik mannen als Van Gossum, Lautenbacher en Heldoorn, alledrie winnaars van grote wedstrijden, aan of zit er maximaal iets van een tiende plaats in? Het antwoord zal ik zaterdagmiddag pas weten. Ik kan met elke uitslag leven, zolang ik mezelf aan de finish niets te verwijten heb en alles gegeven heb wat erin zit.

De wedstrijd

Om kwart over zeven stel ik me op de tweede startrij op, vlak achter Frank Heldoorn. Hij heeft als favoriet startnummer 2, ik heb nummer 3. Anssie Lehtinen, de Fin die vorig jaar tweede werd, heeft startnummer 1 maar is voorlopig niet interessant: hij kan niet zwemmen. De favorieten hebben een gekleurde badmuts. Die van Frank is geel, de mijne blauw en de rest van het veld heeft paars. Ik kan dus mooi Frank in de gaten houden en hij veel moeilijker mij. Vijf minuten voor de start komt Alexandre Merzlov, een hardzwemrus, naast me staan. Hij hoeft niet per sé op de eerste rij te staan; hij komt toch wel als eerste uit het water. Z’n badmuts zit strak over de oren. Dat wat er nog onderuit komt lijkt meer op kieuwen dan een gehoorinrichting.

Na het startschot ben ik meteen goed weg en haak aan in de kopgroep. Het gaat wel erg hard; ik moet de gele badmuts van Frank iets laten gaan en klamp aan in het lint daarachter. De eerste rechte lijn van negenhonderd meter moet ik echt heel alert zijn om geen gaatje te laten vallen en aansluiting te houden met de groep. Merzlov is dan al alleen op avontuur. Na 1300 meter kom ik eindelijk een beetje in m’n slag en kan wat meer op reserve volgen. Wanneer ik even op m’n rug zwem om te kijken wat er achter me zit zie ik dat ik de laatste in het lint ben en de achtervolgende groep op een meter of honderd ligt. Geen back-up dus in geval van eraf gezwommen worden; ik moet echt niets laten gebeuren. Vijfhonderd meter voor de wissel lig ik nog steeds in laatste positie van het lint wanneer er wat gaten dreigen te vallen. Ik kan zonder veel extra moeite wat opschuiven en ook mee in de sprint in de laatste tweehonderd om in goede positie uit het water te komen. Op het surfstrandje blijk ik precies de aansluiting te hebben. Na een snelle ‘kwartwissel’ zit ik gelijk met Frank en als zesde overall op de fiets. De fietsschoenen gaan wat moeilijk aan op de fiets, maar daar neem ik alle tijd voor. Hiermee is het eerste deel van de dag geslaagd; ik zit direct na het zwemmen in de kopgroep en kan voorlopig even ontspannen en de boel aankijken.

Het eerste stuk staat de wind in de rug. Vorig jaar moest ik in de eerste twintig kilometer nog een gaatje dichtrijden om aansluiting te krijgen; nu zakt m’n hartslag al snel tot een lage waarde. Wanneer ik achterom kijk zie ik dat er zo’n twaalf man in de groep zitten. Naar mijn zin veel te veel, maar twee mindere zwemmers die weer sterk lopen zitten er in ieder geval niet bij. Merzlov ligt vijf minuten voor, maar die pakken we vanzelf wel. In het eerste uur kan ik erg soepel rijden, me goed verzorgen en verschillende posities aannemen om de rug te ontlasten. Na 37 kilometer, op een onoverzichtelijk punt, rijden we langs een ongeval waarbij een fietser tegen een auto aangereden is. Ik vraag aan Frank of dat Merzlov was. Inderdaad, zegt-ie, dus nu liggen wij eerste. Pech voor Merzlov, jammer voor de wedstrijd maar voor ons een zorgje minder. Na vijftig kilometer rijdt Van Gossum heel langzaam weg op de kop. Daarachter rijdt een Tsjech op een onmogelijk groot verzet. Rolf Lautenbacher en Frank Heldoorn zitten voor me te eten en lijken het te laten gebeuren. Wanneer het gaatje vijftig meter is besluit ik te counteren. Ik zit heel fris, die groep is sowieso te groot en als ze ons laten rijden is een bonus van drie, vier minuten aan het begin van de marathon niet te versmaden. Wanneer ik aanzet blijkt er veel kracht achter te zitten en in één ruk rijd ik naar en langs Van Gossum. Ik trek even door, kijk achterom en zie het hele lint weer aansluiten. Ik houd even later in en laat Van Gossum weer op kop rijden. Mijn wiel is even eerste in de wedstrijd geweest, maar ik heb echt geen zin nu al met m’n krachten te gaan smijten. Na tachtig kilometer, op de fietspaden in Almere, is een afslag slecht aangegeven. Ik mis de bocht, Van Gossum haalt ‘m net en trekt direct door. Ik kom als vierde terug in de groep en zie dat Van Gossum al zestig meter heeft. Op de dijk, met de wind in de rug, voel ik dat dit het moment is waarop er gereden moet worden. Op de dertien en twaalf ram ik het gat dicht en sluit weer aan bij de Belg. Achter ons wordt vol gereden, maar niemand kan aansluiten. De kopgroep spat uiteen in een aantal kleinere groepjes. Ik rijd zonder tellertje, maar hoor later dat mensen die boven de vijftig reden ons gewoon zagen wegfietsen. De twintig volgende kilometers gaan in 44,5 km/u gemiddeld en dat is erg hard op een hele. De benen zijn echter nog goed en de hartfrequentie ook. Achter ons zit een groepje van vier: Frank Heldoorn, Machiel Ittmann, Rolf Lautenbacher en een Tsjech die er even later ook af moet. Onze voorsprong loopt heel langzaam op naar maximaal 1:15” op kilometer 150. Daar maakt Frank zich los uit de achtervolgers en sluipt naderbij. Even later merk ik dat ik moeilijker tegen de wind in rijd dan Van Gossum en laat ‘m wegrijden. Tien kilometer later is Frank bij mij. Hij blijft even achter mij hangen, ziet me kraken en rijdt weg. Ik besluit in m’n eigen tempo door te rijden, te proberen wat te herstellen en me klaar te maken voor het lopen. Ondanks m’n zere benen en niet optimale energiebalans (ik merk dat ik te weinig calorieën tot me heb genomen en realiseer me dat het wel eens moeilijk zou kunnen worden) lopen Van Gossum en Heldoorn maar langzaam weg. Die zitten dus ook niet zo fris meer. Vijf kilometer voor de wissel sluiten Ittmann en Lautenbacher aan. Ik kom uiteindelijk als vierde van de fiets, 2:30” achter Van Gossum, ruim een minuut achter Frank en gelijk met Ittmann en Lautenbacher. Daarachter is het een slagveld.

Vorig jaar kostte de fiets-loopwissel me de aansluiting met de groep waarmee ik van de fiets kwam. Dit jaar wissel ik snel en ben direct los van Ittmann en Lautenbacher. In de eerste kilometers voel ik m’n rug wel een beetje, maar veel minder dan bijvoorbeeld in Zuid-Afrika toen ik echt verrot aan het lopen begon. Ik neem snel twee gelletjes om weer wat calorieën binnen te krijgen en kom al snel in het ritme. Na een paar kilometer krijg ik Frank  in het vizier en haal hem zonder moeite in op kilometer zes. Lautenbacher heeft mij dan inmiddels bijgehaald en loopt langs mij. Op dit moment ligt Van Gossum eerste, drie minuten daarachter Lautenbacher, kort daarachter ik, dan Frank en daarna Machiel. Op de dijk kan ik tegenwind ontspannen kilometers rond de 3.50” lopen. Daarmee loop ik hetzelfde tempo als Van Gossum en Lautenbacher en aanzienlijk sneller dan Frank en Machiel. Na het keerpunt op kilometer 15 hebben we de wind in de rug tot kilometer 28. In die periode ga ik heel langzaam van kilometers 3.45” naar kilometers tegen de 4.00”. Ik voel dat ik tekort ga komen op het laatste stuk en blijf goed eten en drinken. Na het keerpunt tegen de wind zakt het tempo nog verder weg en kan ik met moeite rond de 4.20” lopen. Schellens, een Belg die met 2:44’ de snelste looptijd zou noteren, komt op kilometer 31 langs en ik weet dat ik flink diep zal moeten gaan om de nationale titel binnen te slepen. Op kilometer 32 staat een verzorgingspost en ik geef aan dat ik veel nodig heb. Herman en Peter Dullaart (van het Triteam) instrueren vier vrijwilligers om mij gel, Born blokken, energiedrank en cola te geven en te zorgen dat ik niets mis. Ik gooi in totaal 400 kCal naar binnen in de hoop dat de maag het houdt en het nog voor de finish zal gaan werken. Intussen komt Ittmann snel dichterbij. Ik krijg een gedachteflits dat ik het misschien niet zal gaan halen maar zet dat direct uit m’n hoofd. Vandaag geen negatieve gedachten. Ik neem me voor op kilometer 38 nog twee minuten over te hebben om het te kunnen halen. Probleem is dat ik het tempo niet stabiel kan houden. Om toch snelheid te houden trek ik een paar honderd meter door, laat het tempo dan even zakken om weer (mentale) energie op te doen om vervolgens weer aan te zetten. Dit blijkt te werken, maar Machiel loopt ook voor wat-ie waard is. Hij was al drie keer derde op het NK en kan nu de titel pakken. De laatste kilometers slingeren over fietspaden richting het stadhuis. Daar staat minder wind en bovendien ben ik na elke bocht even uit zicht. Meestal ben ik de jager in dit soort situaties en ik gebruik alle ervaring die ik heb opgedaan om Machiel te ontmoedigen. Dat betekent na elke bocht aanzetten om hem de hoop van mij dichterbij te zien na een bocht te ontnemen, vooral niet achterom kijken en blijven lopen. Alles wat om me heen fietst schreeuwt de longen uit het lijf om duidelijk te maken dat het nu wel heel close is. Peter Dullaart heeft inmiddels iedereen die tussen mij en Machiel rijdt vooruit gestuurd om te zorgen dat hij geen springplanken heeft om naar mij toe te komen en hij heeft een blauw, onopvallend jack over z’n in het zicht lopende groene shirt gedaan om minder op te vallen. Kortom, het is crisis. In de laatste kilometer zit nog een bruggetje waar ik net niet struikel. Op het laatste rechte stuk komt Machiel steeds dichterbij en met minimale voorsprong loop ik het stadion in. Nog een paar irritante slingers en dan mag ik finishen. Ik wacht meteen maar Machiel op, die precies 12 seconden tekort komt en vreselijk baalt. Hij zit nog fris, ik ga meteen liggen in de opvangtent met de benen omhoog om het bloeddrukverschil op te vangen en niet van m’n stokje te gaan. Op dat moment komt de NOS langs om even een interview te doen. Wat mij betreft niet het meest geschikte moment, ook omdat op dat moment twee mensen tegen m’n voorvoeten duwen om de spanning van de bovenbenen te halen die op springen staan. Maar ja, het zijn wel beelden geworden die aangeven hoe ver ik op dat moment heen was.

Achteraf heb ik, zoals voor trouwens iedereen geldt, een aantal fouten gemaakt en risico’s genomen die me bijna de kop gekost hebben. Op de streep geldt echter het gelijk van de winnaar, en op deze manier de titel binnenhalen is iets wat je niet snel vergeet. Ik heb heel veel reacties gehad en steun gekregen van heel veel mensen voor, tijdens en na de wedstrijd. Zonder hen zou ik het niet gehaald hebben. Ik kan hier niet iedereen bedanken, maar een aantal mensen noem ik met name. Speciale dank gaat uit naar Herman, die me perfect gecoacht en getraind heeft. Natuurlijk ook Cynthia, die me heel goed begeleid heeft in het revalidatieproces, en m’n vader die ik zowat een hartinfarct heb bezorgd van de spanning. George Sieverding, die me de afgelopen tweeëenhalf jaar niet alleen beter heeft leren zwemmen, maar ook m’n sportbenadering heeft veranderd. Armand Bettonviel van Sportinstituut Galgenwaard die de krachtschema’s heeft gemaakt, één van de dingen die mijn voorbereiding onderscheidde van de rest en me veel profijt heeft opgeleverd. Alle mensen van Energie die aanwezig waren en degenen die er in gedachten bij waren; allemaal heel erg bedankt. Ten slotte het bestuur van Energie, die me een gewaardeerd Energiër hebben doen voelen door alle attenties (was een erg grote, mooie en lekkere taart!).