Week 2 (schrijver: Bert Flier)

Maandag
We willen vandaag naar een groot pretpark gaan zonder schuldgevoel over te weinig trainen. Daarom beginnen we ’s ochtends vroeg. Om 5.30 opstaan, eten, en 10 km lopen naar het zwembad. Bij het zwembad hebben we 1.15 uur de tijd om 4 km te zwemmen. Dat wordt dus rammen. We delen de training in in 4x1000m progressief, variërend van 15 blank tot 13.57. [Wat een discipline en trainingsijver, ik sta er 15 jaar later van te blozen]. Uit het zwembad lopen we weer 10 km naar huis. Volgens het schema moet het laatste half uur hard worden gelopen; de kilometers gaan van 3.50 naar 3.30. Op de heen- en terugweg knijpen we ‘m wanneer we langs het erf van een white trashfamilie lopen. Een schrikwekkende hellehond stormt op ons af. Hij zit aan de ketting, maar hij stormt op ons af alsof hij van geen ketting weet. Het beest wurgt zichzelf bijna. Had de ketting gebroken, dan waren we er geweest.

Om kwart over negen zijn we klaar met de trainingen van vandaag. Op de heenweg naar Cedar Point ontbijten we dat het een lieve lust heeft. Opdat we onderweg niet ter aarde storten. Nadat Arco nog wat toiletten in het etablissement heeft bevuild, kunnen we naar Cedar Point gaan.

Cedar Point ligt op een schiereiland en is Amerikaans groot. Waar de Efteling één schamele achtbaan heeft, heeft Cedar Point er veertien, de een nog groter en vreeswekkender dan de ander. Vandaag schijnen de wachtrijen niet lang te zijn, alhoewel ik dik een uur wachten voor een ritje van tweeënhalve minuut wel wat aan de lange kant vind. Als echte Hollanders willen we zo veel mogelijk waar voor ons geld. We lopen dus PR’s om zo snel mogelijk van de ene naar de andere attractie te komen. Een van de mooiste attracties is de wet ride. Op weg naar boven, wanneer het water onderin de nepboomstam klotst, probeert iedereen krampachtig de voeten droog te houden, om er in de afdaling achter te komen dat de complete boomstam inclusief menselijke inhoud door een metershoge vloedgolf wordt overspoeld. Zeik- en zeiknat wandelen we even later door het park. We maken er een lekker lang dagje van, maar na 10 uur pretparken zijn zelfs wij het zat. Van die 10 uur zijn we netto een half uur in de attracties geweest, de rest breng je door met wachten. Amerika, land van de short kick.

Dinsdag
Vandaag hebben we een behoorlijk zware dag. ’s Ochtends staat er 80 km fietsen op het programma, niet te hard. ’s Middags gaan we eten in Oberlin. We hebben daar een supertent gevonden: all you can eat voor het schamele bedrag van 4 dollar. En gratis refills. We zijn van plan ze helemaal failliet te gaan eten.

Arco, die behoorlijk dorstig is van al dat gefiets van vanochtend, vult direkt bij binnenkomst een literglas Mountain Dew. Die toverdrank kennen we niet in Nederland, maar ik kan verklappen dat daar drie keer zo veel cafeïne en acht keer zo veel giftstoffen in zit als in Coca Cola. Binnen een minuut klokt hij zijn kelk leeg, schept vervolgens zijn bord vol met een kop van heb-ik-jou-daar, en doet vervolgens een refill van nog een liter Mountain Dew. Die is in no time ook in zijn keelgat uitgestort.

Kort daarna krijgt Arco geweldige buikpijn. Onderweg naar huis krepeert hij van de pijn. Bloedserieus vertelt hij: ‘ik denk dat ik een maagzweer heb’. Wij denken dat het door wat anders komt.

Aan het eind van de middag, wanneer de maaltijd een beetje verteerd is, zwemmen we drie kilometer los in het zwembad. Daarna start er een intervaltraining op de indoorbaan op het schema. Wanneer we ons aan het inlopen zijn, voltrekt zich een scène uit een film. Vanuit de diverse ingangen stromen tientallen cheerleaders de hal binnen, in leeftijd variërend van 16 tot 20 jaar. Het zijn er zoveel, dat het gehele middenterrein, zes tennisbanen groot, geheel in beslag wordt genomen door de dames, de een nog fruitiger dan de ander.

Arco in het bijzonder voelt zich als een leeuw temidden van een kudde zebra’s. Het schuim staat bijkans op zijn lippen. Al tijdens het inlopen begint zijn hartslagmeter te piepen van jewelste. Geïnspireerd door de kunsten die de cheerleaders op het middenterrein demonstreren, starten we ons baanprogramma bijzonder voortvarend. We bulken van de motivatie. Dit is andere koek dan tempoblokken draaien op het gloeiend hete asfalt van highway 511.

Arco, waarvan we niet kunnen zeggen dat hij is overgoten met looptalent, zet tijden neer waar Ben Johnson een punt aan kan zuigen. Ook wij lopen tijden die op de Olympische Spelen finaleplaatsen zouden opleveren.

Een paar setjes later is het over met de pret. De hal blijkt speciaal te zijn afgehuurd voor de cheerleader-activiteiten. Tot onze teleurstelling wordt ons vriendelijk verzocht de hal te verlaten. Wij mogen buiten spelen, in de bloedhitte, terwijl de dames binnen, airconditioned en wel, hun kunsten perfectioneren.

Diep bedroefd verleggen we ons werkterrein naar het tartan buiten. Tijdens onze 400-meter setjes zien we zowaar een Harry Heeke-look-a-like. Het contrast met de cheerleaders binnen kan niet groter zijn. Maar ja, je wilt toch weten of hij misschien verre familie is van de roemruchte Barendrechtse Harry, en we knopen een gesprekje aan. Hij blijkt de loopcoach van het college te zijn met een PR van 14.37 op de 5 km. Wanneer hij hoort dat we uit Nederland komen, vertelt hij iedere week aan zijn pupillen de Olympische 800m damesfinale van Ellen van Langen te zien en te zweren bij het boek van Peter Janssen: Melkzuur, hartslag, en training. Volgens ons kan hij zijn groep beter wekelijks indoor tegelijkertijd met de cheerleaders op de indoorbaan laten trainen. Wij zouden het wel weten. Daar kan geen hartslagmeter tegenop.

Woensdag
Er dient vandaag een duurloop van 30 km afgewerkt te worden, waarbij de temperatuur boven de 40 graden zal uitkomen. Daarom zetten we op het 9 km-punt een 10-liter jerry can met water neer, gekoeld door 20 king size ijsblokken en een stuk of wat diepgevroren vrieselementen. Op de heenweg maak ik een vreselijk avontuur mee wanneer een Duitse herder, maat paard, vanaf een erf op me af komt stormen. Ik blijf stokstijf staan en zie m’n hartslag acuut in de verzuring schieten. Ik zoek verwoed in het Woudloperszakboekgedeelte van m’n geheugen of je in dergelijke situaties de hond in de ogen moet kijken of juist niet. Ik gok op het laatste, en fixeer mijn ogen op die van het monster. Dat blijft plots staan, trekt z’n gele tanden bloot, en begint me diep grommend te besluipen. Ik blijf hem recht aankijken, en draai mee wanneer hij naar mijn flank probeert te draaien. Op het moment dat ik denk ‘dit moet niet lang meer duren’, komt er een vrouw van het erf afrennen. Ze grijpt de hond in z’n nekvel en kijkt me bezorgd aan. ‘Did he bite you?’ vraagt ze. ‘No’, zeg ik, een beetje wit wegtrekkend. ‘You are the first’, zegt ze, terwijl ze het kreng weer terug het erf opsleept.

Het duurt kilometers voor het rubberen gevoel in de benen is verdwenen. Onderweg drink ik bijna vier bidons, wat nog te weinig is vanwege de bloedhitte. Ik loop een heen-en-weer-parcours en ben als de dood wanneer ik weer langs de boerderij met de hond moet. Deze keer zit het mormel gelukkig achter slot en grendel.

’s Middags gaan we 40 km losfietsen. Wanneer we bijna thuis zijn breekt er een noodweer los. De temperatuur zakt 15 graden en tussen de regendruppels zit nog wat hagel. Kop over kop fietsen we naar huis op een tempo wat allang geen losrijden meer genoemd kan worden. Onweer hier is wat anders dan in Nederland. Links en rechts slaan de bliksemflitsen in. De andere dag blijken we allemaal kou gevat te hebben. Om de drie trainingen vol te maken, zwemmen we aan het eind van de middag nog een uurtje in het superbad in Oberlin.

Donderdag
In de ochtend gaan Jerry en ik 70 km losfietsen over heerlijk glooiende wegen. Ard moet vandaag werken en Arco gaat de looptraining van gisteren inhalen. Hij presteert het om 2½ uur te lopen op één bidon water. We meten de temperatuur: in de volle zon, op het asfalt, is het 45 graden. Tot onze verbazing is Arco nog bij kennis wanneer hij terugkomt, en kan hij zelfs samenhangende zinnen produceren.
’s Middags bestijgen Jerry en ik onze rossen nogmaals. Nu voor een 55 km temporit, die we in 35 km/uur afraffelen in de heuvels. Wanneer Ard thuis is plonzen we nog even het zwembad in, waarmee we deze soort van rustdag afsluiten.

Vrijdag
Vandaag is het koud. De temperatuur komt niet boven de 30 graden, en er staat een strakke wind. Vandaag gaan we maar weer eens een stuk fietsen. 120 km, waarvan de eerste helft vals plat en wind tegen. Dat schiet dus niet op. We drinken alsof we in de Sahara zitten, en binnen de kortste keren zitten we alle vier met aandrang. Na 30 km lassen we een plaspauze in. Als de vier Daltons stellen we ons op in een greppel langs de weg. Een beetje uit het zicht, maar niet helemaal. Terwijl we de laatste druppels afslaan, rijdt er een auto langs. De bestuurder mindert vaart, draait het raampje open, en roept dat we in overtreding zijn. En of we zo snel mogelijk op willen rotten, en dat de sheriff op ons af gestuurd gaat worden.

Wij zijn ons van geen kwaad bewust en hebben geen idee waar we in deze desolate omgeving anders onze blazen kunnen legen. Even later worden we bijgehaald door een politiewagen. Achter het stuur zit een erg boze sheriff. Hij zegt dat hij ons hier nooit meer wilt zien en of we zo snel mogelijk uit zijn county willen rijden. Onder politiebegeleiding rijden we door het dorpje waar de sheriff de scepter zwaait. We wanen ons in een Dukes of Hazard episode. De sheriff laat ons pas met rust wanneer we over de grens van zijn territorium zijn. Zwaar teleurgesteld in de plasvrijheid van Amerika rijden we verder. We hebben inmiddels al weer aandrang. De volgende plasstop bereiden we voor als ware het een militaire undercover-operatie.

Gelukkig verloopt de twee helft een stuk voorspoediger. De wind staat in de rug, we hebben het vals plat mee, en er rijden geen sheriffs op ons achterwiel. De teller komt amper onder de 40, zodat we een beetje het Tour-gevoel krijgen. Thuis kunnen we een gemiddelde van 34 bijschrijven in de annalen. ’s Avonds gaan we weer naar het supersonische zwembad in Oberlin voor 5 km zwemmen. De kern bestaat uit 5×400 en 10×200. Ik zwem op het laatste 400tje zowaar een PR en kan daarna nog een setje strakke tijden op de 200 op de klokken zetten. Misschien wordt het nog wel eens wat met dat zwemmen.

Zaterdag
Vanochtend rijden we om 7 uur weg voor een 200 km. We houden het simpel: 100 km heen, draaien, en 100 km terug. De eerste 50 km kennen we. Vals plat tegen richting Ashland, dwars door de akkervelden. De zwakke wind staat tegen. Niet echt inspirerend, het lijkt hier wel erg veel op de Hoeksche Waard. Na Ashland begint de weg steeds meer te golven en wordt de omgeving bosrijker. Er rijden hier weinig auto’s, het is heerlijk rustig en de zon begint steeds meer kracht te krijgen. Ons humeur stijgt met de kilometer, want zo veel zin hadden we niet vanochtend. Je zou het zelfs tegenzin kunnen noemen.

Na 70 km houdt de 511, waar ook ons huis aan staat, eindelijk op. We rijden een soort Duits/Luxemburgs landschap binnen, onwaarschijnlijk groen en heuvelachtig. We passeren tot de verbeelding sprekende plaatsjes. Zoals Widowville. Er zitten kogelgaten in het plaatsnaambordje. Aan mijn geestesoog zie ik de hoofdstraat van Widowville voor me, honderd jaar geleden. De gehele gemeenschap is daar verzameld. Twee cowboys, met getrokken pistool, lopen langzaam van elkaar weg, de ruggen naar elkaar toe. Na twintig passen keren ze zich bliksemsnel om om elkaar kapot te schieten, hun vrouwen eenzaam achterlatend.

Na Widowville wordt het landschap steeds heuvelachtiger. Bergen kan je het nog niet noemen, maar we moeten af en toe uit het zadel om de klimmetjes, anderhalf tot twee kilometer lang tot maximaal 10%, op te rijden. We zijn inmiddels Amish country binnengereden. Op een bekllimming haal ik een paard en wagen in. De twee Amish kinderen achterin de huifkar moedigen me uitbundig aan, de man op de bok knikt me vriendelijk toe. Ze blijken gastvrij, want je kunt zonder afspraak hun huizen bekijken om te zien hoe de Amish leven. Dat doen we overigens niet. Wij zijn hier om te fietsen, en we zouden wel erg detoneren in onze wielerkleding met de outfit van de Amish.

Na 100 km stoppen we bij een benzinestation. We zijn nog steeds erg voorzichtig met onze sanitaire stops en kunnen ons geluk niet op wanneer we een kraakhelder toilet aantreffen. Lekker een plek waar we zonder kans op bekeuringen of arrestaties kunnen bevallen. Per persoon anderhalve kilo lichter beginnen we aan de terugweg.

Met nog 50 km voor de wielen rijdt Jerry lek. Ik heb de onvolprezen Zefal-pomp bij me en biedt aan het pompwerk voor mijn rekening te nemen. Ik pomp net zo lang tot ik in de verzuring schiet. Jerry’s band is zo hard als een tuinslang.

Nog geen 200 meter verder klinkt er een gigantische knal. Jerry’s binnenband heeft het begeven. Te hard opgepompt. Zelfs de buitenband is gescheurd. We verzinnen een oplossing door een dollarbiljet onder de scheur te frommelen voordat we de band weer oppompen. Wat zijn we toch een McGyvers. Het laatste stuk hebben we vals plat en wind mee, dus die gaan als een speer. Aan het eind van de middag lopen we nog een half uur. Om het af te leren. Wanneer ’s avonds de trainingsuren worden opgeteld, blijk ik een kwartier te weinig te hebben getraind om de dertig-uursgrens doorbroken te hebben. De totalen voor deze week: 595 km fietsen, 68 km lopen en 16 km zwemmen.

Het laatste gedeelte van het verslag is zoek. Bij deze beloof ik plechtig de archieven van Energie te zullen naspitten, want de vooraankondiging aan het eind van dit gedeelte meldt:
– Gerard die supergoedkoop wielen aanschaft,
– Het nieuwe driedelig kostuum van Bert,
– Arco scheert zijn benen – en nog wat meer dan dat,
– Een kapotte autoruit,
– Ard die het zat is

Deel 3 en 4 liggen nog in de catacomben van CAV Energie. Wie kan helpen deze delen onder het stof vandaan te halen: let me know!