Een verhaal uit de oude doos. Het verslag van een trainingsstage met m’n broer en clubgenoten van TV Energie in voorbereiding op Almere. We schrijven 1995, Oberlin, Ohio. Wat waren we jong en onbevangen. Wat trainden we veel en hard. En soms ook best wel dom. En wat hadden we een plezier, en wat beleefden we een avonturen.

Ter introductie de personages.

Arco Meijer. Onbekende triatleet. Onterecht, zoals uit het verslag zal blijken.
Gerard Pruijt. Net zo onbekend als Arco. Heeft, door zijn finish in Almere 1995, zich life-long bragging rights verworven. Zoals iedere Ironman finisher.
Ard Flier. Broer van. Meer talent. Pas nog mee gefietst, en dat kan-ie nog steeds.

Week 1 (schrijver: Arco Meijer)

Op dinsdagmorgen 11 juli is het dan eindelijk zover. Een Energie-delegatie bestaande uit Bert Flier, Gerard Pruijt (alias Jerry Kuit), Ard Flier en Arco Meijer vertrekt voor een trainingskamp naar Amerika. Dit trainingskamp is in de eerste plaats bedoeld als voorbereiding op de hele triathlon van Almere. Het trainingskamp zou van 11 juli tot 5 augustus gaan duren. Ard was ons in verband met werkzaamheden als een paar dagen eerder voorgegaan en de rest waagt dus op dinsdagmorgen de grote oversteek.

Bepakt en bezakt worden wij, samen met onze fietsen, door onze vriendelijke vrind en toegewijd postbode Jan Rijken op Schiphol afgeleverd. Aangezien de financiële positie van sommige van de delegatie-leden weinig te wensen overlaat hadden wij onze reis geboekt bij Biman Bangladesh Airways, die helaas geen garanties wenst te verstrekken op een veilige overtocht.

Het eerste gedeelte van de reis, van Amsterdam naar New York, verloopt, afgezien van de diarree verwekkende hot curry chicken, voorspoedig. Totdat het moment gekomen is dat wij, geduldig als altijd, aan de bagageband op onze koffers en fietsen staan te wachten. Nadat de koffers al een half uur in ons bezit zijn, begrijpen we wat er fout moet zijn gegaan met de oversteek van de door ons zeer geliefde fietsen.

Na aangifte van de vermissing te hebben gedaan, besluiten we eerst maar wat te gaan eten. In het restaurant aangekomen worden we geholpen door de vrouwelijke uitgave van Mr. Ed (the speaking horse). Afgezien van de lucht hebben we toch wel aardig gegeten.

We vervolgen onze reis en om ongeveer elf uur ’s avonds komen we aan op Cleveland, Ohio. Om ongeveer 1 uur liggen we eindelijk, op de plaats van bestemming, en dat is Oberlin, in ons bedje.

De volgende ochtend komen we pas laat uit bed. Op het moment dat Arco uit het raam kijkt is hij toch wel wat onder de indruk. Van de achtertuin. Die bestaat namelijk uit ongeveer zes voetbalvelden, een bos en een privé-meer.

Omdat onze fietsen nog niet gearriveerd zijn besluiten we om maar wat te gaan zwemmen in ons privé-meer. Bert heeft al een paar keer heen en weer gezwommen wanneer Arco zijn eerste schreden in het Ballaton-Balalaikameer zet. Na ongeveer 50 meter zwemmen rent hij er echter, een nieuw PR zettend, weer uit.

Want wat is het geval? De vissen die in het meer rondzwemmen blijken bijtende en bloeddorstige monsters te zijn die het hebben voorzien op de kuiten van de Energie-leden uit Nederland. Na dit voorval besluiten we gezamenlijk niet meer in het meer (let op de subtiele woordspeling) te gaan zwemmen en uit te zien naar een zwembad. Een jaar geleden namelijk is Bert, tijdens een vijf kilometer lange duurtraining in hetzelfde meer, bijna doodgeschoten. Door een overbuurman die dacht dat er een zwerfhond aan het badderen was. De buks was al geladen, de vinger al gekromd om de trekker toen hij zag dat hij een triatleet op de korrel had.

Aangezien de temperatuur op dat moment en eigenlijk het hele trainingskamp schrikbarend hoog is (temperaturen tot ver boven de 40 graden) besluiten we tot de avond te wachten voordat we onze eerste looptraining afwerken. Tijdens deze looptraining (een duurloopje van 15 kilometer) maaktArco kennis met een zwerm killer bees. Deze lieftallige beestjes storen hem nogal als hij in verband met een sanitaire stop in het gras neerhurkt. Wanneer Arco thuiskomt is hij ongeveer tien knieschijven rijker. Niet doordat hij radioactief besmet is geraakt van het afvalwater dat in het privé-meertje geloosd blijkt te worden, maar doordat de bijensteken nogal groot uitvallen.

Enkele dagen en ongeveer achtentachtig (88) telefoonnummers later hebben we eindelijk onze fietsen terug. Biman Bangladesh Airways blijkt in Amerika te worden vertegenwoordigd door het al even klantvriendelijke Italian Airways. Overal waar we informeren naar onze fietsen en ons bekend maken als klant van Biman Bangladesh Airways, wordt de telefoon op de haak gegooid, en op het vliegveld van Cleveland worden we met de nek aangekeken zodra we onze Biman Bangladesh Airways tickets tevoorschijn toveren. Het lijkt wel alsof we een besmettelijke ziekte hebben. Uiteindelijk lukt het ons via een KLM-connectie en een Schiphol-medewerker onze fietsen op te sporen. Ze blijken al voor ons aangekomen te zijn, en al die tijd braaf op hun baasje te hebben gewacht in de lege, donkere catacomben van een bagagehal.

Voor de maandag staat er een 180 kilometer op het programma. Medegeus Bert heeft een, naar zijn idee, leuk en makkelijk rondje op de landkaart uitgepijld. Na ’s morgens om zes uur al aan de ontbijttafel gezeten te hebben beklimmen we om zeven uur onze privé snelheidsmonsters. De eerste 80 kilometer zijn redelijk vlak (voor Zwitserse begrippen althans), totdat we terecht komen in een soort van Zwarte Woud. De ene berg van 12 procent was nog niet overbrugd of de volgende diende zich alweer aan. Na cols van meer dan 17 procent alsmede cols van de buitencategorie beginnen we na ongeveer 125 kilometer weer aan de terugreis. Het klimmen is sommigen van ons niet in de koude kleren gaan zitten en er wordt dus besloten om ieder in zijn eigen tempo naar huis terug te rijden. Bert, Ard en Gerard zijn na ongeveer 150 kilometer fout gereden maar hebben tot hun grote opluchting bij thuiskomst toch maar 180 kilometer op de teller staan. De lijdensweg van Arco duurt echter ruim 12 kilometer langer omdat hij wel goed is gereden. Wanneer hij ook eindelijk thuiskomt kan hij dan ook gelijk aan het zuurstof, hartbewaking en het infuus. Onder zijn zuurstofkapje vandaan kan hij nog wel enigszins hoorbaar ‘Bedankt, Bert!’ uitkramen.

Nadat iedereen de volgende dag toch nog ontwaakt, gaan we op zoek naar een zwembad. We hebben van kennissen gehoord dat er in Oberlin op de campus waarschijnlijk wel gezwommen kan worden, dus wij tuigen daarhene. Na eindelijk het bewuste complex gevonden te hebben vallen onze schedels open van verbazing. Wat wij daar aantreffen is met geen pen te beschrijven. Daarom doe ik een poging per computer. Een zwembad van 25 yards met aan de rand Baywatch-achtige dames, tennisbanen, squashbanen, fitnesszalen, basketbalzalen en last but not least een airconditioned 200 meter indoor kunststofatletiekbaan. Met drinkfonteintjes. Wij spreken plechtig af dat wij op deze plek nog vele uurtjes zullen gaan doorbrengen. Buiten is ook nog een 400 meter kunststofbaan alsmede vele, vele hectares aan honkbal- en American football velden, maar het is eigenlijk te heet om daar te gaan lopen.

Wordt vervolgd