‘Ik doe alleen maar leuke wedstrijden.’ Dat was het antwoord op mijn vraag aan een atlete tijdens haar intake over haar wedstrijdkalender.

Boven mijn hoofd begon een lampje te branden.

En zo heb ik dit jaar mijn wedstrijdkalender opgesteld: alleen maar wedstrijden die ik leuk vind. Waaronder het Belgisch kampioen halve triathlon in Eupen, op zondag 3 augustus 2014.

Wat maakt Eupen een leuke wedstrijd? Drie redenen: locatie, locatie en locatie. Ten eerste: het zwemparcours. In het stuwmeer van Eupen, met een waterspiegel zo vlak als een biljartlaken. Op de stuwdam heb je fantastisch uitzicht. Perfect voor de toeschouwers, goed voor mijn vibes. Kijk maar naar de video. Ten tweede: het fietsparcours. Dat is verkeersvrij, gaat constant op en af, telt bijna 1000 hoogtemeters, is selectief en afwisselend. Ten derde: het loopparcours. Dat slingert door de bossen, zowel van links naar rechts als van boven naar beneden en komt, net als het fietsparcours, drie keer langs start-finish. Een echt powerparcours dus.

Samen met Tabitha was ik twee dagen vantevoren per camper afgereisd. Zonder tijdritfiets, want die heb ik na Stein verkocht. En na een periode van weinig en ongestructureerd trainen. Omdat ik aan het breken ben met mijn 25-jarig patroon van de kwaliteit van mijn dag laten bepalen door de sport en mijn prioriteiten tijdens de zomer te laten bepalen door mijn wedstrijden. Alhoewel ik mijn identiteit niet meer uit mijn triatleet-zijn en prestaties haal, heb ik de afgelopen periode ontdekt dat het sporten nog steeds mijn dag bepaalt. Wanneer is de dag voor mij ‘goed’? Als ik a) minstens één, maar het liefst twee of drie keer had getraind, en b) die trainingen goed zijn gegaan.

En dat wil ik niet langer meer. In de weken tussen Stein en Eupen zwom ik drie keer (20, 10 en 55 minuten), fietste ik best wel veel, iets van 200-300 kilometer per week, maar liep ik maximaal twee keer per week.

Zo stond ik, na een ontspannen zaterdag in de camper aan de rand van het stuwmeer, met heel veel zin aan de start. Omdat ik het doen van een triathlon op een plaats als deze gewoon geweldig vindt.

Met het zwemmen ben ik super weg, kom na 200 meter in een goed stel voeten en blijf hierin zitten tot aan foto 1het eind van het zwemmen. Tot mijn verbazing zwem ik als vanouds: op drie minuten van de kop kom ik uit het water, als 19e. ‘Dat kan nog wat worden vandaag’, denk ik. Want het zwemmen is mijn zwakste onderdeel.

Het fietsen begint met een klimmetje en daarna een heel lang stuk vals plat. Ik haal op het klimmetje Koen de Haan in, die dezelfde zwemtijd heeft als ik. Ik wil naar voren, maar dat lukt niet. De een na de ander
komt me voorbij. Dat ben ik niet gewend. Koen, die verstandiger is gestart, haalt mij na een kilometer of 8 weer bij op een stuk vals plat. Vorig jaar heb ik bij hem de triathlontrainersopleiding gedaan en we wisselen een paar woorden. Ik zit schuin achter Koen, op een paar meter. Tijdens onze conversatie passeren we een jurymotor, die prompt met iets geels begint te zwaaien. “Krijg jij nou een gele kaart?!” vraag Koen. “Zo lijkt het, maar ik weet het niet zeker”, zeg ik. Wanneer ik in een latere klim Koen weer passeer, verontschuldigt hij zich voor de professionele wijze waarop hij mij aan een kaart heeft geholpen. Ik kan er gelukkig niet mee zitten en ben allang blij dat ik op een gegeven moment niet meer word ingehaald en aansluiting bij een groepje vind.

Ronde twee vind ik iets van wat lijkt op mijn oude benen terug en schuif een paar plaatsen op. Jan foto 3Mijwaart, een van de vele Nederlanders die hier aan de start staan, daalde de eerste ronde als een komeet. Hij is mijn doel voor de hoogste punt van de tweede beklimming: ik wil achter hem de afdaling in. En zo
geschiedt, na een tempoklim op het randje. Zodra het vlak wordt en er wordt doorgetrokken, voel ik dat ik teveel heb gegeven in de klim en moet Jan en de rest van de groep laten rijden. Mijn rug doet zeer – voor mij is het echt een groot verschil of ik op een perfect afgestelde tijdritfiets rijd of een koersfiets – en mijn benen beginnen nu al power te verliezen. De derde ronde verlies ik weer de plekken die ik de tweede ronde heb goedgemaakt en zo wissel ik, rond de 30e plaats, voor het lopen. Ik passeer het bord met de gele kaarten en werp daar een vluchtige blik op. Mijn nummer zie ik er niet opstaan. Pffiew.

De eerste kilometer lopen heerlijk. Een procent of drie naar beneden. De mannen voor me begin ik in te halen, maar langzamer dan normaal. Ik mis gewoon de macht die ik gewend ben. Vooral wanneer het foto 4parcours gemeen omhoog begint te lopen, mis ik power. Ik kan willen wat ik wil, maar hard lopen lukt vandaag gewoon niet. In plaats van na het zwemmen alleen maar naar voren op te schuiven, moet ik vandaag met het fietsen en ook met het lopen mensen voorbij laten gaan. Dat is echt wennen en opnieuw calibreren. Maar ook goed om mee te maken. Omdat ik nu kan ervaren hoe het is om niet voorin de wedstrijd te strijden voor de ereplaatsen en om niet de benen te hebben waarmee ik normaliter alleen maar mensen inhaal.

Aan het eind van de tweede ronde word ik staande gehouden door een jurylid die mij erop wijst dat ik tijdens het fietsen toch een gele kaart heb gehad. Ik dien officieel drie minuten tijdstraf uit te zitten maar hij laat mij, na welgeteld één analoge minuut, weer vrij.

Die minuten geef ik later weer prijs wanneer ik een coachee terug zie wandelen richting finish. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Ik stop, keer om, spreek met hem en mag hem zo helpen om via de goede looprichting te finishen.

Na 4u15 minuten, op een half uur van de winnaar, kom ik als 42e over de finish. Het ‘wat, als…’ stemmetje probeert me in de introspectie na de wedstrijd af te leiden. Ik laat het stemmetje lekker babbelen en ga er niet op in. Het is goed zo. Wat een mooie dag en wat een mooie wedstrijd is dit.

Uitslag Belgische kampioenschap halve triathlon Eupen, 3 augustus 2014

1. Tim Brydenbach 3:45:05 (23:30 – 1:59 – 2:03:51 – 0:52 – 1:14:53)
2. Dennis Devriendt 3:45:53
3. Stenn Goetstouwers 3:46:48
42. Bert Flier 4:14:53 (26:33 – 2:25 – 2:17:12 – 1:15 – 1:27:28)

Epiloog: 42
Voor degenen die denken een wedstrijdblog zonder een verwijzing naar mijn geloof of de bijbel te hebben gelezen: hier is-ie alsnog. Geen ontkomen aan;)

Het getal 42 heeft in de bijbel een bijzondere betekenis. Een week voor Eupen heb ik zitten smullen van de uitleg  die Klaas Goverts gaf naar aanleiding van Numeri 33. Hierin doet Mozes verslag van de reis die Israël maakte nadat het uit Egypte was gevlucht. In dat reisverslag komt een hele rits plaatsnamen voorbij. Israël liep niet in één keer naar het beloofde land, maar via 3×14 = 42 etappes. Elke plaatsnaam die in dat hoofdstuk wordt genoemd, verwijst naar een gebeurtenis op die plaats. De eerste stop was in Rameses: herinnering aan de farao, herinnering aan de overheersing. In mijn geval de herinnering aan mijn vroegere identiteit als triatleet. En, waar ik dus pas ben achter gekomen, van mijn afhankelijkheid van een race-ready fysieke conditie.

Plaatsnaam vijftien is Ritma. Dat betekent jeneverbes en verwijst naar het rapport van de verspieders die het beloofde land hadden onderzocht. Dat rapport was scherp en bitter als een jeneverbes: ‘wij gaan dat land niet in!’

Zo had ik ook al veel eerder in mijn beloofde land kunnen zijn, als ik maar wat eerder had geluisterd. Met andere ogen had gekeken naar wat God mij heeft gegeven. Niet iets scherps en bitters, maar iets dat mijn stoutste verwachtingen overtreft. De vrouw die ik heb mogen trouwen, Tabitha. Het nieuwe leven dat God in haar aan het weven is. Hij had dat al die tijd al voor ons klaarliggen. Ik verlangde ernaar, maar durfde het niet te aanvaarden. Zo heb ik mezelf jaren gevangen gehouden in mijn vertrouwde gewoontes, mijn oude patronen.

En dan, als laatste station, de velden van Moab. Dat is de plaats met uitzicht over het beloofde land. De plaats waar Mozes plaats maakt voor Jozua. Mozes, die Israël de wet van God heeft gegeven. De wet die discipline vraagt en die ik nooit helemaal kan houden omdat ik mens ben. Mozes en de wet kan mij tot aan, maar nooit helemaal in, het beloofde land brengen. Dat doet Jozua; dat doet Jezus: Hij heeft de wet gehouden en vervuld. Hij helpt mij mijn angsten te overwinnen, mijn oude patronen te doorbreken en me Zijn beloftes toe te eigenen.

Fast forward naar Mattheüs 1:17: van Abraham tot David zijn dus veertien generaties, van David tot de verbanning naar Babel ook veertien generaties en van de verbanning tot de geboorte van Christus nog eens veertien generaties.Drie maal veertien is 42 generaties. Weer dat getal 42, symbool van vervulling van een belofte. Het bewijs dat God doorwerkt, ook al ervaar ik dat zelf niet altijd zo.

Het is aan Level 42 om deze blog af te sluiten. Met hun klassieker Running in the family.

Looking back it’s so bizarre
it runs in the family
all the things we are
[…] we only see so far
and we all have our daddy’s eyes