Witte cumuluswolken weerspiegelen zich in het rimpelloze oppervlak van de Hoge Vaart. Waterdamp en water smelten samen tot een hemels kunstwerk. Een zwemmer snijdt het surrealistische beeld doormidden. Elke slag steekt hij zijn handen in een nieuw stuk wolken, die vervagen in zijn kielzog. Juist op het punt dat de blauwfluwelen golven zijn weggeëbd en de spiegeling herbegint, vertroebelt een volgende groep zwemmers het schilderij. Onbewust van de magie van het moment haasten ze zich naar het keerpunt, de op een sub liggende Ingmar Wassink.

Twee maanden geleden was ik op bezoek bij zijn vader Mathijm. ‘Nu er voorlopig geen wedstrijden georganiseerd worden, denk ik eraan een trainingstriathlon organiseren’, vertel ik mijn vriend. Mathijm blijkt op hetzelfde spoor te zitten en we besluiten, wanneer de corona-seinen op groen staan, voor onze atleten een trainingswedstrijd te organiseren. In de Flevopolder, de Nederlandse bakermat van triathlon, waar ruimte en rust is. Mathijm gaat op onderzoek, vindt een geschikte locatie en tovert op de vroege zondagochtend van 12 juli een anonieme T-splitsing van fietspaden onder de brug van de Adelaarsweg om tot parc fermé, doorkomstpost en finish.

Tijdens het inrichten van het parc fermé zegt Leo de Bruijn dat het net echt is. ‘Gister nog even op de fiets, kijken hoe de benen voelen. In de verte een scooter, even gas gegeven om ‘m bij te halen. Testen of de benen goed zijn’. Atleten praten met elkaar, vragen hoe het thuis is, geven complimenten over het materiaal, ritsen elkaars wetsuit dicht. Vandaag eens een keer geen startnummers, geen inschrijfgelden, geen chips om de enkels. Dit is triathlon in zijn meest basale vorm: simpelweg zwemmen, fietsen en lopen. Met elkaar, in de buitenlucht en niet met je avatar in een klimaatgecontroleerde sportkamer jezelf voortbewegen in een virtuele wereld.

Dat de echte wereld hard is ondervindt Leo, die net na het keerpunt met zijn hoofd vol tegen een ijzeren paal zwemt. Hij ligt even stil, schudt een paar keer met zijn hoofd, ziet twee man voorbijkomen, herpakt zich en komt alsnog als tweede uit het water, op een paar minuten van Leon van Hamersveld. Kort daarachter beklimt Jorieke Casteleijn als eerste dame de aluminium trappen die Mathijm in de modderbodem van de Hoge Vaart heeft geprikt. Achter de laatste zwemmer peddelt nog een sub zodat we zeker weten dat alle drieëndertig gestarte triatleten veilig uit het water klimmen. ‘Twee komma twee kilometer’, hoor ik iemand roepen die zijn Garmin checkt. ‘Iets te lang’, grijnst Mathijm.

Leon heeft al bijna de eerste van zes rondes gereden als de laatste zwemmer het fietsparcours opkomt. Dat is vijftien kilometer lang en telt vier bochten naar rechts. De steeds warmer wordende zon maakt de wind wakker uit haar slaap, windmolens draaien langzaam hun wieken. Jaimy Voogt rijdt in tweede positie, heeft een minuut goedgemaakt, Leo de Bruijn probeert aan te haken. Tim Wolvetang schuift zienderogen op, roept tot mijn verbazing dat het niet gaat. ‘Je rijdt als snelste rond!’ schreeuw ik hem toe, onwetend van de pijn in zijn vorig jaar geopereerde been die hem een ronde later uit doet stappen.

Bij de doorkomstplaats van het fietsen heeft zich zowaar een plukje publiek verzamelt. Een mannetje of twintig meegereisde supporters en toevallige passanten moedigen hun atleten aan, proberen een gelletje aan te geven. Dat lukt niet altijd, hoor ik als Karel Voogt mij belt. Of ik Jaimy zijn gemiste gelletjes kan bezorgen. ‘Natuurlijk, ik kom eraan’. En zo spoed ik me, aan de zijde van Gerard van Schie die drie maanden terug nog met corona-verschijnselen in het ziekenhuis lag en weer fit genoeg is zijn triathlonpakje aan te trekken, naar Karel, pik de zakjes koolhydraten op en rijd weer tegen de richting in terug. Te laat zie ik Jaimy, moet me vanuit stilstand op gang trekken en kom na twee minuten ondersteboven achterstevoren fietsen erachter dat ik de laatste twintig meter niet dicht krijgt. ‘Jaimy. JAIMY!’, schreeuw ik. Hij houdt even in, ik sluit aan, geef hem zijn brandstof en laat me terugzakken naar een christelijker tempo. Wat rijdt-ie hard.

Nog sneller rijdt Niels Ros, die na 95 kilometer – op die afstand kwamen we uit met deze rondjes – als eerste zijn carbon Ros – op het frame staat de naam van de berijder – stalt. Boven de veertig gemiddeld reed hij rond. Jaimy zit er niet ver achter, wisselt sneller en is als eerste weg. Minder dan een minuut na Niels trekt ook Leon zijn loopschoenen aan voor vier rondjes van vijf kilometer over een heen-en-weer parcours over het fietspad langs de Hoge Vaart.

Jorieke Casteleijn, die een monsterverzet à la Daniela Ryf rondmaalt tijdens het fietsen, wisselt als eerste dame. Veel te zwaar rijdt ze vinden sommigen. ‘Als ze vijfentachtig, negentig passen per minuut loopt wil ik  er niets meer over horen’, zeg ik. Licht lopend eindigt ze na 20,7 kilometer lopen ruimschoots als eerste dame, voor Leontien Waaijer en Daniela Schellenberg. Discussie gesloten.

Bij de heren is het spannend. Niels Ros komt langszij bij Jaimy Voogt, Leon schuift steeds dichter naar de twee voor hem. Het door de hoge begroeiing windstille, middenin de zon liggende fietspad blijkt een warmtetunnel. Jaimy drinkt cola, vindt nieuwe energie, haalt Niels bij die vertelt allergieproblemen te hebben. Leon sluipt naderbij en ik vertel Jaimy te blijven pushen. Dat doet hij en met een krap minuutje voorsprong debuteert hij op de halve. Leon eindigt knap als tweede, Niels loopt als derde binnen.

Niet iedereen doet de volledige afstand. Dat is het mooie van vandaag. Iedereen heeft zijn eigen doel. Een aantal  atleten fietst zestig kilometer en loopt er tien of vijftien. Zonder het dwingend regime van officiële wedstrijdafstanden kan iedereen doen wat past.

Na de finish blijft het nog lang gezellig op die anonieme T-splitsing. Gefinishte atleten moedigen de dappere strijders aan die nog een rondje te gaan hebben, genietend van een stuk zelfgebakken appeltaart, pannenkoek of cake dat iedereen als after-race treat heeft meegenomen.

Na al die maanden solitaire training blijkt dat triathlon een veel communaler bezigheid is dan we dachten. Het spelletje van lekker lang en zo hard als we kunnen zwemmen, fietsen en lopen wordt pas echt leuk als je dat met zijn allen doet. Een individueel trainingswedstrijdje geeft je nooit die spanning die een groepsevenement geeft, voelt ontzield aan. Jouw fiets naast die van een ander zetten, elkaar succes wensen voor de start, die vervelend-lekkere wedstrijdspanning voelen, kan alleen bij de gratie van mede-atleten.

Ook zondag hoor ik een watertrappelende triatleet zijn gespannen kijkende buurman vragen wat hier ook alweer zo leuk aan is, om na de finish het antwoord te zien in elkaars ogen.