Ik had eigenlijk niet de bedoeling zaterdag 26 augustus 2006 in het water en de polders rond Almere door te brengen. Toen bleek dat ik niet bij de elite kon uitkomen op het EK, dat ook op die dag in Almere werd georganiseerd, had ik besloten de O3-wedstrijd in Gérardmer, Frankrijk, tot m’n seizoensdoel te stellen. Die wedstrijd viel twee weken na Almere, en het is niet ideaal in voorbereiding daarop een hele af te werken. Bovendien had ik bij aanvang van dit seizoen besloten dit jaar geen hele te doen, maar – ter afwisseling van het voorgaande jaar – m’n geluk te beproeven op de halve en O3-afstand en in een paar off-road triatlons.

Ik was bij dit voornemen gebleven, ware het niet dat Niels Koole, twee weken voor Almere, tijdens het vrijgezellenfeest van Miquel van Tongeren mij vroeg waarom ik niet in Almere zou starten. Ik ga nu niet in op wat daar is gezegd, maar het resultaat is geweest dat ik me, op het allerlaatste moment, in een vlaag van verstandsverbijstering, toch maar heb ingeschreven. En dat terwijl ik erg veel redenen had om niets speciaals van een Almere-start te verwachten. Mijn piekmoment had ik immers twee weken later gelegd, voor die O3-wedstrijd in Gérardmer. Daarom had ik geen fietstrainingen gemaakt van meer dan 150 kilometer, en met het lopen was ik zelfs niet verder dan 25 kilometer gekomen. Daar stond tegenover dat ik me goed uitgerust voelde, en dat ik wel zin had in een dagje pijn lijden.

Aldus stond ik op 26 augustus ontspannen aan de start, onder het motto ‘Je weet nooit hoe een koe een haas vangt’. Mijn tactiek was zeer eenvoudig: ik zou sowieso het zwem- en fietsonderdeel afmaken, één ronde lopen, en dan bekijken hoe de zaken ervoor stonden. Met kans op een goeie finish zou ik doorlopen, en als er niets inzat, dan had ik een goede training voor Gérardmer gehad.

Met het inzwemmen merk ik dat ik goeie zwemarmen heb. Enig minpunt is het groenblauwe waas die over het water ligt. De oorzaak is blauwalg. Dit organisme heeft de organisatie genoopt het zwemparcours te verleggen: in Almere-Haven stinkt het als een bunzing. We zwemmen nu over het oude zwemparcours en starten vanaf het strandje bij Almere-Haven. Daar stinkt het iets minder. Ik vertrouw er maar op dat we geen gezondheidsrisico lopen. Het oude zwemparcours bevalt mij trouwens best; het zwemparcours in Almere-Haven is me nooit echt bevallen. Ik zwom daar op de één of andere manier altijd minder dan op het oude zwemparcours.

Ik heb een goede start en lig direct in de kopgroep. Op de heenweg wordt er niet echt doorgezwommen, en ik zie dat zich een groep van een man of tien heeft gevormd. Ik kom, als mindere zwemmer, zelfs even op kop. Dat is een groot verschil ten opzichte van vorige jaren, toen ik altijd moest vechten voor een plek in de tweede of derde groep. Nu weet ik dat er geen echt sterke zwemmers zijn en dat m’n zwemmen is verbeterd, maar toch. Bij het keerpunt krijgt dan toch iemand het op de heupen en wordt er versneld. Het blijkt Olivier Lyoen, een Fransman, te zijn. Ik nestel me, samen met nestor Rob Barel, in zijn kielzog. Achter ons breekt het groepje in een paar stukken. Ik moet een paar keer flink aan de bak om Robs en Oliviers voeten te kunnen houden, maar zie ook dat de Fransman een stuk afwijkt van de door boeien aangegeven ideale lijn. Ik besluit toch maar op de voeten te blijven draften en dan maar wat extra meters te zwemmen om niet het risico te lopen door een versnelling verrast te worden. Na een eindsprint van de Fransman (waar is dat toch goed voor? Alsof we niet nog meer te doen hebben vandaag…) stap ik als derde aan land, een paar seconden na Lyoen en Barel.

Rob wisselt snel, en ik zit een seconde of vijf na hem op de fiets. De Fransman heeft wat meer tijd voor de wissel nodig. Ik neem de tijd te herstellen van het zwemmen en drink m’n eerste voedingsbidon weg. Daardoor duurt het even voor ik het gaatje naar Rob dicht heb. In de tussentijd komt een motor met cameraman naast me rijden, die even een interviewtje met me doet. Hoe het met me gaat, is de vraag. Ik zeg me goed te voelen, maar dat ze me die vraag beter over een uur of zes nog eens kunnen stellen. Die woorden blijken later profetisch te zijn geweest.

Op het keerpunt op de Gooimeerdijk zie ik dat Anton Mol en Max Longrée niet al te ver achter ons rijden. Ik heb inmiddels de kop van Rob overgenomen en rijd m’n eigen tempo. Na twintig kilometer sluiten
Anton en Max aan, en even later komt ook Olivier Lyoen aansluiten. Anton zit goed op z’n fiets en neemt alDSC00015 snel de kop. Rob rijdt consequent als laatste in de groep, en daar heeft hij groot gelijk in. Laat de jongeren maar de kastanjes uit het vuur halen. Ik begin me wel een beetje te irriteren een die Fransman en aan Longrée, die krap (maar legaal) rijden. Ik heb niets tegen op krap rijden – daar heb je jury voor – maar wel dat zij geen meter op kop rijden. Want hoe je het ook went of keert, op kop rijden kost je meer energie dan op 10 meter, al is het alleen maar omdat je je dan niet hoeft te concentreren op het onderhouden van het tempo. Anton heeft ook door dat de verstandhouding in de groep niet optimaal is en geeft op kilometer dertig gas. Ik besluit te blijven zitten en iemand anders het vuile werk te laten opknappen. De rest vertikt het echter, en Anton rijdt steeds verder weg. Ik kijk Longrée aan om ‘m duidelijk te maken dat ik echt niet van plan ben erachter aan te gaan. Uiteindelijk komt hij dan toch op kop en blijkt dat hij inderdaad nog wel wat over heeft. Aan het eind van de eerste ronde, na 60 kilometer, is de groep van vijf weer gehergroepeerd.

De tweede ronde verloopt nog wisselvalliger dan de eerste. Anton neemt het meeste kopwerk voor z’n rekening, maar gaat zich op een gegeven moment ook irriteren aan het gedrag van de anderen. Ik neem ook wat stukken voor m’n rekening, maar vind dat vooral Longrée en die Fransman – die steeds minder fris oogt – ook wel eens wat mogen doen. Als gevolg van de mindere verstandhouding valt het tempo soms helemaal stil en rijden we met dertig per uur door de polder, simpelweg omdat op zulke momenten niemand de verantwoordelijkheid voor het tempo wil nemen. Dat is niet goed voor de eindtijd, maar het spelletje vind ik wel leuk. Heb ik tenminste wat te doen. In deze ronde profiteer ik van zo’n dood moment om te plassen. Ik heb gedronken als een tempelier, en m’n blaas voelt als een ballon die op knappen staat. Na het besproeien van een paar honderd meter polderweg maakt een grote opluchting zich van mij meester. Uit dankbaarheid over het uitblijven van demarrages tijdens mijn blaaslediging doe ik weer wat kopwerk – ik ben de rotste niet. Ondanks al het tempowisselen blijkt dit toch de snelste ronde te zijn. Het weer helpt ook mee: de wind is zwak en de temperatuur aangenaam. Ik heb slechtere dagen meegemaakt in Almere.

Bij het ingaan van de derde ronde zie ik, bij het keerpunt, dat Corné Klein heeft geprofiteerd van het onregelmatige tempo in de kopgroep. Op het 130 kilometerpunt vindt hij de aansluiting, op een moment dat het niet echt hard gaat. Anton besluit een paar kilometer later dat het tijd is voor weer een versnelling en trekt door tot 50km/uur. Ik en Longrée kunnen mee, Rob komt op vijftig meter de rijden, maar Corné
en de Fransman waaien eraf. Rob sluit even later, wanneer we een meer normaal tempo rijden, weer aan. Ik krijg inmiddels weer aandrang, maar heb grote moeite m’n overtollig vocht te lozen. Ik denk erover de plaspauze tot aan de wissel uit te stellen, maar besluit dat dat tactisch gezien niet erg slim is. Probleem is dat ik al heel lang m’n urinewegen heb afgekneld en ik erg veel moeite moet doen om één en ander aan de gang te brengen. Ik ga staan, maak tempo en houd daarna de benen stil houden om de spanning te verminderen. Wanneer ik bijna stilstaat, begint het eindelijk te lopen, maar zodra ik weer gaat trappen stokt het weer. Voor me zie ik de groep lekker doorrijden. De cameramotor blijft bij mij hangen om m’n moeizame lozing digitaal vast te leggen. Wanneer ik eindelijk weer tempo kan maken heb ik een gat van 45 seconden op de groep. M’n benen beginnen inmiddels al een beetje pijn te doen, maar dat gat moet dicht. Gelukkig is de cameramotor nog in de buurt, en die helpt me weer richting kopgroep. Anders had ik het ook wel gered, maar dit is wel zo lekker. Wanneer ik weer terug rijd in de groep, vraagt Rob me waar ik al die tijd uitgehangen heb. Goed te horen dat mijn afwezigheid is opgemerkt.

Met z’n vieren doen we na 4 uur en 40 minuten fietsen de loopschoenen aan. Anton is het snelste weg en loopt direct in een strak tempo. Ik ben als tweede weg, Rob als derde en Max Longrée als vierde. Ik weet DSC00018dat Max een goede marathon in de benen heeft – hij kan angstig strak en vlak lopen. Anton heeft ook een behoorlijke marathon in de benen, maar Rob vind ik moeilijk in te schatten. Ik open de eerste vijf kilometer in 19 minuten en moet mezelf constant afremmen. Want wat loop ik lekker. Het liefst zou ik vol gas geven en dan maar kijken waar het schip strand. Ik besluit wijs te zijn, houd me in en neem constant vocht en energie tot me. Voor later. Tot mijn verbazing sluit Rob nog even bij me aan. Hij zegt dat-ie het toch niet kan laten zich nog even aan de kop van de wedstrijd te laten zien, en gaat daarna z’n eigen tempo lopen. Even later sluit Max Longrée aan. Hij oogt zeer gefocust en loopt zo zuinig als het maar kan. Ik voel me steeds sterker worden en bepaal het tempo. De kilometers schommelen zo rond de 3.50. Longrée zegt alleen maar: tempo 2.45. En zo is het: dit is het schema voor een marathon in 2 uur 45 minuten.

Aan het eind van de eerste ronde hebben we Anton bijgehaald. Met z’n drieën lopen we door het stadion, waar inmiddels het EK O3 is gefinisht. Onze wedstrijd, die eerst werd beschouwd als bijnummer, krijgt inmiddels alle aandacht. Er rijdt constant een cameramotor bij ons groepje, die live beelden doorstraalt Peter Almere 2006 15naar een groot scherm in het stadion en naar internet. Ik voel me nog steeds erg sterk. Op kilometer 16, Anton heeft dan inmiddels de rol moeten lossen, las ik een korte plaspauze in. Anton komt weer langszij, maar ik kan hem even later weer passeren en sluit op het twintig kilometerpunt weer bij Longrée aan. Die blijft strak 3.50 per kilometer lopen. Ik besluit naast hem te lopen om niet de indruk te geven aan het verzwakken te zijn. Ik kan op dit moment nog harder, maar weet dat ik het lange duurwerk, nodig voor het laatste uur, niet heb gedaan. Een golf van emoties overvalt me wanneer ik besef dat ik vandaag kan winnen. Ik probeer dat gevoel zo snel mogelijk weg te drukken, want dergelijke euforische stemmingen resulteren vaak in overmoed. En overmoed wordt in een Ironman genadeloos afgestraft.

Ik blijf me goed verzorgen en probeer me te blijven ontspannen. Dat gaat goed tot aan het einde van de tweede ronde. In het stadion, bij het ingaan van de derde en laatste ronde, versnelt Longrée licht. Ik zit niet helemaal fris en besluit m’n eigen tempo aan te houden. Heel langzaam wordt het gat met Longrée Kopie van DSC00029
groter, maar ik weet dat alles nog mogelijk is. Vanaf dit punt is het ieder voor zich. M’n benen gaan steeds meer pijn doen, en ik heb steeds meer moeite m’n tempo van vier minuten per kilometer te handhaven. Een paar kilometer verder, zo rond het 32 kilometerpunt, krijg ik een flinke dip. Ik raak zonder energie en klok ter overkoming van de malaise een halve cola naar binnen. Dat geeft een kortstondige opleving, maar ik weet dat het vanaf nu tot aan de finish overleven wordt. Anton zit op een veilige afstand achter me, maar ik zal wel moeten blijven lopen om ‘m voor te blijven. Max is inmiddels al een paar minuten los. De hoop op de winst geef ik niet op, maar dat zal vooral worden afhangen van een inzinking van Longrée: ik kan niet harder, en ben al blij dat ik 4.30/km kan blijven lopen. De laatste zes kilometer is een martelgang en duren eindeloos. De tweede plaats komt gelukkig niet echt in gevaar, en dat is veel meer dan waar ik aan het begin van de dag op het gerekend. Uiteindelijk kom ik na 8 uur 30 over de streep, met een marathontijd van 2 uur 53. Die 8:30 is net geen PR, maar sneller dan 2:53 heb ik nog nooit gelopen op een marathon.

Ik ben intens blij met m’n prestatie, maar kan dat niet uiten. Direct na de finish zak ik door m’n benen en word afgevoerd naar het veldhospitaal. Ik ben niet de enige: ook Max Longrée is total loss en wordt opgevangen. Vlak na mijn finish wordt op de internetpagina van Telesport het volgende bericht geplaatst:

Het licht ging uit bij Maximilian Longrée. De Duitser stortte direct na zijn glorieuze overwinning in de Holland Triatlon ter aarde. Totaal uitgeput. Per brancard moest de triatleet naar het veldhospitaal, waar hij een uur aan het infuus lag.

De 26e Holland Triatlon was zaterdag het bijnummer van het Europees kampioenschap lange afstand, maar kreeg door de bizarre ontknoping alsnog predikaat hoofdact. Want ook nummer twee Bert Flier kwam zo kapot over de finish in Almere Haven, dat hij lange tijd moest bijkomen in de medische post. Artsen spraken van totale uitputting. „Ik denk dat deze atleten elkaar in de strijd om de winst over het randje hebben geduwd”, zei een arts van de organisatie. „Maar deze atleten zijn goed getraind en kunnen een stootje hebben. We hebben ze even rustig bij laten komen.”

Liggend op een brancard lig ik dus rustig bij te komen. Ik inventariseer de opgelopen schade. Mijn hoofd bonst, ik voel me koortsig en mijn waarneming is wazig. Zweet druipt in een open schaafwond in de nek, opgelopen bij het zwemmen. Ook onder de oksels voel ik een schurende pijn. De nieren steken, mijn maag is wee en van streek. Daaronder kronkelen m’n darmen zich een pijnlijke weg door de onderbuik. Ook de liezen zijn opengeschuurd, en bloed druipt uit een korst op de knie van een recente valpartij. Ik zie dat twee teennagels paarsblauw zijn geworden door het voortdurende schuiven in m’n wedstrijdschoenen.

De pijn in de benen overstemt echter al deze signalen. Ik houd m’n hand een decimeter boven m’n benen en voel de hitte ervan afstralen. De beenspieren zijn beurs en geven het idee urenlang met stokken te zijn geslagen. De doffe, niet te ontkennen pijn straalt door tot in de botten. Hoe langer ik lig, hoe erger de pijn wordt: de endorfinen ebben weg. De kuiten, quadriceps, peesplaten en hamstrings trillen onophoudelijk en oncontroleerbaar. Van een fysiotherapeut begrijp ik later dat dit zogenaamde fasciculaties zijn, omschreven als naschokken na een intense spierarbeid. Op Wikipedia leer ik dat de waarschijnlijke oorzaak microscopisch kleine traumata van de spier zijn.

Een verpleegster tracht de benen met een oppervlakkige massage te ontspannen, maar tevergeefs. Het liefst zou ik uit m’n lichaam kruipen. Ik zoek afleiding en kijk om me heen. Op de brancard naast me ligt nog iemand. Het is Max Longrée, de man die me vandaag voorging. Hij is er zo mogelijk nog slechter aan toe. Direct na de finish verloor hij het bewustzijn, en is een vol kwartier weg geweest. Een leeg infuus DSC00053bengelt boven zijn hoofd, en ik zie dat hij een volgende zak krijgt toegediend. Ik kan een grijns niet onderdrukken. Daar liggen we dan, de nummers één en twee. Tot niets meer in staat. We wisselen een paar woorden met elkaar. Het is niet veel, en ik herinner me niet precies wat er gezegd is, maar wel dat er een gevoel van wederzijds respect heerst. Ik word een vreemd soort van trots en voldoening gewaar. Het is de trots en voldoening die je voelt wanneer je tot op de limiet van je kunnen bent gegaan, en je tot precies de finish op de flinterdunne grens lijn tussen buigen en barsten hebt weten te balanceren. Om dat te kunnen, moet je fysiek en mentaal top zijn, maar ook een gelijkwaardige tegenstander hebben. De wetenschap zojuist terrein te hebben betreden waar maar weinig mensen geweest zijn geeft een enorme voldoening. Een hele triatlon is voor mij in de eerste plaats een strijd tegen jezelf, bijna een vorm van loutering. Die strijd ben ik vandaag beter doorgekomen dan ooit tevoren. Dat besef is de pijn meer dan waard.

Almere Holland triathlon, 29 augustus 2006

  1. Maximilian Longrée 8:23:00
  2. Bert Flier 8:30:39
  3. Anton Mol 8:34:22
  4. Dirk Wijnalda 8:46:54
  5. Corné Klein 8:50:34
  6. Rob Barel 8:57:29