Zacht gekeuvel van vakantiegangers vanaf het terras. Woorden als ‘malheureusement’ waaien ons raam binnen. Het is zwoel en zomers deze vrijdagavond in de Ardennen. Een avond om lekker lang buiten te zitten en te keuvelen. En me te verbazen over de treffende gelijkenis tussen Manuël uit Fawlty Towers en de ober/ receptionist van ons hotel. Druk gebarend leidt de 1 meter 60 korte en van een parmantig snorretje voorziene restaurateur Tabitha en mij naar kamer 7, zich bedienend van een mengelmoes van Frans en Engels. Met een zwierig gebaar opent hij het raam, onderwijl overschakelend naar frans Nederlands omdat hij ontdekt dat wij Hollanders zijn. ‘Pas de muggen, beaucoup insecten’.

Mijn startbewijs voor de Nisraman was mijn verjaardagscadeau van organisator Wim den Doncker. Voor het slapengaan scroll ik het programmaboekje nogmaals door. Met een uniek wedstrijdformat gaat de Nisraman terug naar de roots van de triathlon: avontuurlijk, onvoorspelbaar en uitdagend. Het viergangenmenu bestaat uit 1 kilometer zwemmen in de barrage van Nisramont. Dat is 24 graden warm, dus zonder wetsuit. Daarna 42 kilometer tijdrijden met 930 hoogtemeters. Vervolgens wissel je van fiets voor 16 kilometer mountainbiken met nog eens 600 hoogtemeters. Het toetje is 10 kilometer trailrunnen met 590 hoogtemeters. The only way is up.

 

‘s Nachts onweert het, lang en hevig. Ik word en wakker van en vraag me af wat de gevolgen zijn voor de wedstrijd. Ik vermoed natte wegen en slippery slopes met het abt-en en lopen. Ik kijk op mijn horloge. Het is 2:04, nog 7,5 uur tot aan de start.

Om negen uur meld ik me bij de zwemstart. De atb en loopschoenen staan op me te wachten in het tweede IMG_1533parc fermé, m’n tijdritfiets staat startklaar in het parc fermé aan de voet van de barrage. Omdat inzwemmen niet is toegestaan doe ik de warming-up met mijn Training Cordz. Ik vind het heerlijk om me zo voor te bereiden: even de spanning op de zwemspieren zetten en ondertussen de zwemstart mentaal repeteren. Ik ben op mezelf geconcentreerd. Tabitha maakt een paar foto’s en ziet daarop een saillant bij-effect van mijn warming-up. Mede-atleten zien mij aan de slag zien en worden onrustig: missen zij iets essentieels?

In de minuten voor de start wordt de lucht inktzwart. In de verte rommelt de donder. Een minuut voor de start oppert iemand de vraag of het wel verstandig is om te starten. Ik zie Wim den Doncker zijn telefoon openklappen… met zichzelf overleggen… en de telefoon weer dichtklappen. Hij zegt: de start is over vijf seconden. En weg zijn we.

Ik ben direct goed weg en rond naast Lars van der Eerden de eerste boei. Eén man is vooruit: ik zit erbij! IMG_1545Het is lang geleden dat ik zonder pak in een wedstrijd zwom – en I love it. Met pak voel ik me opgesloten, zonder pak voel ik me vrij. Na driehonderd meter schuift Jeray Luxem langszij. Ik nestel me in zijn voeten; Lars haakt op zijn beurt zijn wagonnetje aan bij mij. Halverwege het zwemmen wordt het steeds donkerder. Alsof de avond valt. Ik voel de spanning in de lucht, maar besef me later pas dat dit het moment is waarop het dreigende onweer in volle hevigheid losbarst. Als derde, op dertig seconden van de leider en op de voeten van Jeray Luxem, kom ik uit het water. Het stortregent, het dondert en het bliksemt.

Na een redelijke wissel begin ik aan het fietsen in een groepje van vier. Na een paar honderd meter vlak gaat het direct 3,3 kilometer en 5,5% omhoog: de col de Fily. Ik houd m’n wattagemeter tussen de 300 en 350 Watt en zie twee man langzaam van de wegrijden. Bovenaan sluit iemand bij me aan: ik lig op plaats vijf. Daarna volgt een golvend stuk en daarna een afdaling. Het onweer is recht boven me. Boven een nabijgelegen weilend tekent God een polsdikke onweersader aan de inktzwarte hemel, direct gevolgd door een donderslag. In ons ochtendgebed hebben we gebeden voor de Nisraman. Voor de deelnemers, voor een goede wedstrijd. En voor Gods bescherming. Ik weet me veilig, en met mij iedereen die hier vandaag start. Flashbacks naar het concert van Live in het Goffert park, jaren geleden. Onder het decor van zwarte wolken en onweer spelen ze Lightning Crashes. Kippenvel.

 

Ik geniet met volle teugen. Van de wedstrijd, het onweer, Gods stem en kracht. Van het klimmen, maar

meer nog van het dalen. What goes up must come down. In de lange afdaling van het parcours stroomt het water in beekjes over de weg. Ik geef de Dean de vrije teugels en loop in op de twee mannen voor me. Beneden sluit ik aan, net voordat Het Monster zich aandient. De Muur de Maboge. Het piece de résistance van dit onderdeel. De steilste 600m is boven de 20%. Daar kwam ik gisteren pas achter en besefte me toen dat ik 42×23 als lichtste verzet heb. Niet ideaal. Al leg pressend kom ik boven, maar moet lossen bij de mannen die ik net had bijgehaald. Kris Coddens en Paul Embrechts, de nummer van 4 en 9 van het afgelopen WK offroad in Kijkduin, halen me bij en ik moet passen. Nick Baelus kan ik op m’n tandvlees volgen. Op de tweede beklimming van de Col de Fily geeft de wattagemeter tussen de 350 en 400 Watt aan. Meter voor meter sluipen we weer naar Paul Embrechts en een andere concurrent. Nick maakt de sprong, ik net niet.

De afdaling brengt uitkomst. Met één keer (achteraf onnodig) remmen en zo veel mogelijk bijtrappen sluit ik precies onderaan weer aan. Om vervolgens op de tweede beklimming van de Muur de Mabotage weer een gaatje te moeten laten. Als zevende wissel ik, met benen die nog goed aanvoelen, voor de 16km
mountainbiken. Zo vertrouwd en in m’n element ik me voelde tijdens het zwemmen en in de afdalingen van het fietsen, zo niet-op-m’n-plek voel ik me op de mountainbike. De laatste keer dat ik erop zat is vijf maanden geleden. De eerste afdaling neem ik zonder risico en die gaat goed. Daarna is er een lange, steile klim. Zo lekker als ik klom op de tijdritfiets, zo moeizaam gaat het nu. Ik kom voor geen meter omhoog. Je hebt weleens zo’n droom waarin je vol overgave aan het lopen of fietsen ben, maar voor geen meter vooruit komt. Zo voelt het mountainbiken vandaag. Filip Philips is de eerste die me bijhaalt. Daarna Rorik Schouten en even later ook Joost Christiaans en Lars van der Eerden. Ze halen me in alsof ik geparkeerd sta. Wat ook niet helpt is mijn relatief zware 26-volgeveerde mountainbike. Met jaloerse blikken kijk ik naar hun hardtail 29-ers. Niet dat ik daarmee de beste fietstijd had gerealiseerd, maar dit parcours is echt op het lijf geschreven van een 29-er. Technisch is het niet en de meeste klimmen en afdalingen zijn rechttoe-rechtaan. Als twaalfde, met meer dan 15 (!) minuten achterstand op de kop, begin ik aan het lopen.

Voortvarend, omdat de top-tien nog steeds haalbaar is. Ik storm het parc fermée uit. In de richting van het mountainbikeparcours. Dat is niet de bedoeling. Een behulpzame supporter dirigeert me de goede richting op. De eerste twee kilometer zijn heerlijk: volle bak afdalen, van de weilanden van Nisramont naar de oevers van de Ourthe. Ik loop als een zonnetje. Het enige vlekje is het gebrek aan bevestiging van de juiste route. Lintjes zie ik nergens. Op het moment dat de twijfel toe dreigt te slaan passeer ik een groepje wandelaars. ‘Est-ce que le parcours du triathlon?!’ roep ik in mijn beste steenkolenfrans. ‘Ja, je zit goed!’ antwoorden de Vlamingen. Opgelucht daal ik verder, op weg naar de trappen over de stuwdam bij de barrage van Nisramont waar we een paar uur geleden zwommen. De onweerswolken hebben inmiddels plaats gemaakt voor de zon en het wordt steeds warmer. Helemaal wanneer het parcours steil en omhoog gaat net na de stuwdam. Hardlopen lukt nauwelijks en verwordt tot snelwandelen bij de vele trapjes die hier liggen. Voor me zie ik iemand lopen. Het blijkt Lars te zijn. Hij is hard gevallen op een van de trapjes, kan wandelen, maar heeft flink pijn. Ik vraag hoe het gaat en of ik hulp moet halen. ‘Het lukt wel’, zegt hij, ‘loop jij maar door. Je kunt er nog een paar inhalen’.

Het wordt warmer en warmer en ik begin uit te kijken naar de jump in de Ourthe. Die ligt halverwege het loopparcours. Ik zit onder de bagger en het zweet prikt in de krassen die ik heb opgelopen van een paar netelige passages. Even later is het zover en mag ik de drie meter diepe sprong maken. Superlekker om IMG_1561even af te koelen. Zwemmen met schoenen is apart: alsof je twee ankers aan je benen hebt. Direct na het zwemintermezzo gaat het steil en lang omhoog. Ik moet weer een paar stukken wandelen. Na een klein stukje vlak zie ik een pijl scherp naar rechts wijzen. Als er een foto was van mijn gezicht toen ik rechts omhoog keek, dan zou je daar gefronste wenkbrauwen en een flinke porsie ongeloof en verbazing op gelezen hebben. Het gaat bijna loodrecht omhoog. Veel meer dan een glibberig, aarden spoor is er niet. Met handen en voeten klauter ik de helling op, hopend op een stuk waarin ik weer kan hardlopen. Dit is werk voor mensen die klein en behendig zijn. Ik ben groot en sterk. Als een Duitse tank die woest door de Ardense heuvels aan het ploegen is worstel ik me omhoog. Boven neem ik drie seconden pauze en adem het plaatje in: om me heen bos, boven het blauw van de hemel en diep beneden de schittering van de Ourthe. Na weer een ellendig stuk klimmen zie ik Filip Philips voor me lopen. Volgens mijn berekeningen de nummer tien in de wedstrijd. Ik haal hem bij en passeer de verzorgingspost op het 7,5km-punt.

‘Bijna thuis’ denk ik. Dus niet. De laatste 2,5 kilometer zijn echt niet normaal. Eerst loop je dwars door het bos, over takken, dennenaalden en ander losliggend spul waarbij je constant door je enkels dreigt te klappen. Af en toe moet je over een paar omgevallen bomen heenklimmen. Daarna gaat het een paar keer supersteil omhoog en omlaag. Omhoog plant ik mijn voet in de voetafdrukken van mijn voorgangers, als vorm van trappetje. Omlaag pak ik elke drie meter een boom vast om niet naar beneden te kletteren. Op een kilometer van de finish zit er een stuk langs een aarden wal in het parcours dat schuin afloopt. Ik heb geen trailschoenen en glijd constant weg, balancerend op het randje van de zwaartekracht. Even ben ik het spoor bijster en loop ik verdwaald in de rimboe. Gelukkig vind ik snel weer het lintjesspoor. Later hoor ik dat op dit punt velen fout zijn gelopen en gekozen hebben voor het naastgelegen weiland. Dat weiland is afgezet met camoeflage-schrikdraad. Ontloop je de blikseminslagen, krijg je alsnog een opdonder. Net binnen het uur loop ik de 10 kilometer. Als elfde passeer ik de finish. Blij dat ik binnen ben en gelijk plannen makend voor volgend jaar. Want dit is een wedstrijd die ik vaker wil doen.

Het meest trots ben ik op Bietje. Zij had vooraf al het edele plan om het loopparcours te doen. Na mijn IMG_1580finish vraagt ze of ik zin heb om met haar mee te gaan. ‘Het is een pittig loopje’, vertel ik haar, ‘maar ik ben er even klaar mee’. Even overweeg ik om te vertellen dat dit de zwaarste 10 kilometers zijn die ik ooit heb gedaan, maar ik bedenk me. Zij kan dit wel aan en ik wil haar niet onnodig bang maken. Mark Schoonhoven (voor de start zette Tabiet ons samen op de foto) is net begonnen met het lopen, zie ik: ideaal om samen met hem te lopen. Ze bedenkt zich geen moment en kleedt zich om voor de achtervolging. Na allerlei avonturen, inclusief een flink stuk foutlopen in de Nisramontse bossen, komt ze een uur en twintig minuten later over de streep. Ze heeft Mark bijgehaald en heeft samen met hem de weg naar de finish gevonden. Apetrots ben ik op m’n meissie. Ze lonkt heftig naar een officieel finishersshirt. Na veel soebatten mag ik mijn L-shirt inruilen voor een S-je.

Genietend van winegums, Leffes en LaChouffes brengen we de rest van de middag door. Het ene sterke verhaal na het andere wordt opgedist. De bliksem blijkt op meerder plekken te zijn ingeslagen, waaronder in de friterie aan de finish. De magnetron en frituur doen het niet, vandaar de vele lokale bieren als vervanging voor de zonder-stroom-niet-opgewarmde en gefrituurde koolhydraten. Een dorpje verderop heeft het gehageld, met stenen zo groot als duive-eieren. Alle Nisramont-deelnemers zijn allemaal zonder kleerscheuren gefinisht. God rules and protects.